Oudegracht 302

De oudste schriftelijke gegevens over het pand Ouderacht 302 komen voor in een akte, daterend van 27 oktober 1574. Het huis had toen al ‘glasen ende glaesraempten’. De akte maakt tevens melding van ‘die cluyse die onder die brugge opt die graft vuytgaet’. De beschrijving van het huis in de akte maakt duidelijk dat er sprake is van een voorhuis, waarschijnlijk nog niet een houten voorgevel, aan de Oudegracht en een achterhuis langs de Hoge Smeesteeg (de huidige Korte Smeestraat).

Het voorhuis aan de gracht werd bewoond door de bakker Jan Jacobsz. en zijn dochter Elysabeth, het achterhuis door Gijsbert Woutersz. De voornoemde bakkersdochter Elysabeth trouwde met een bakker, Jan Willemz. van Reynauwen, en zij verwierven het gehele huis in eigendom. De erfgenamen van dit bakkerechtpaar droegen hun aandeel in het huis in 1601 en 1604 over aan Aert Willemsz. Stael. Blijkens een akte, opgemaakt door zijn erfgenamen bij de overdracht in 1643, was er toentertijd in het pand een mouterij gevestigd. Hier werd gerst gekiemd en gedroogd om bier van te kunnen brouwen. De oven van de voormalige bakkerij was mogelijk daartoe omgebouwd tot ‘eest’ (droogoven).

In 1668 werd het pand, openbaar en bij opbod, verkocht aan Ghijsbert Thönisz. van Vianen, de latere stadsmetselaar (een beroep, vergelijkbaar met dat van een hedendaagse stadsarchitect) van Utrecht, die er ook ging wonen. Deze Ghijsberth Thönisz. van Vianen heeft in de uitoefening van zijn beroep als stadsmetselaar op diverse plaatsen in de stad Utrecht zijn sporen nagelaten. Diverse panden aan het Janskerkhof (de huisnummers 11-15-15a en 16) alsmede ook het pand Keizerstraat 35 (behorend tot het bezit van het UMF) zijn door hem ontworpen en gebouwd. Regionale bekendheid verwierf hij als bouwmeester van het stadhuis aan de Markt te Wijk bij Duurstede, terwijl hij ook betrokken was bij herstelwerkzaamheden aan de Dom. In 1682 besloot hij zijn eigen pand Oudegracht 302 te slopen, behoudens de kelders. Deze kelders strekten zich uit onder het pand en onder de Korte Smeestraat en de Smeebrug (tot aan de werf). Hij ontwierp en bouwde op de bestaande kelders een nieuw pand, dat in zijn huidige verschijningsvorm, met inbegrip van de houten balklagen en een deel van de spiltrap, nog grotendeels dateert uit 1682. De oorspronkelijke kruiskozijnen werden in de loop van de negentiende eeuw vervangen door de huidige empire-schuifvensters.

Kennelijk had het pand een bijzondere aantrekkingskracht op bakkers, want vanaf 1889 waren er wederom bakkers in gevestigd. De laatste was bakker Van Walbeek, die er tot 1955 zijn beroep uitoefende. Uit die tijd dateert de naam “Het witte huis”, die 35 jaar of langer het witgeverfde huis op de hoek van de Korte Smeestraat heeft gesierd. Niet alleen de buitenkant van het pand was wit, maar ook het eind negentiende eeuw aangebrachte winkelinterieur. Dit fraaie interieur manifesteerde zich met marmeren lambriseringen langs de wanden, waarboven spiegels in lijstwerk met wit geschilderd houtsnijwerk. Ook de toonbank was van wit marmer. In de deuren werd geëtst glas verwerkt, de vier jaargetijden uitbeeldend en de, overigens sobere, voorgevel bevat een zeldzame uitstalkast. Het zijn vooral ook deze interieurelementen die het pand zo bijzonder maken.

In 1955 werd het pand aangekocht door de gemeente Utrecht in verband met de voorgenomen verbreding van de Korte Smeestraat. Nadat dit plan definitief van de baan was verwierf in 1984 het Utrechts Monumentenfonds het pand in erfpacht. In 1984-1985 werd het pand gerestaureerd, waarbij het nog aanwezige interieur zorgvuldig behouden bleef. Bij het bouwhistorisch onderzoek bleek dat de gevels uit 1682 oorspronkelijk rood waren geschilderd, nadien grijs en (waarschijnlijk in de achttiende eeuw) okerkleurig. Vermoedelijk pas in 1920 werden de gevels wit geschilderd. Hoewel de Rijksdienst voor de Monumentenzorg in eerste instantie de witte kleur op de buitengevels wilde behouden, werd uiteindelijk toch goedkeuring verleend aan de huidige kleurstelling van de gevels.

Klik hier voor meer informatie.