Oudegracht 279 en Lange Smeestraat 2A, B en C

In 1969 werd dit vroeg 17e-eeuwse pand door het UMF aangeschaft en in 1975 en 2008 gerestaureerd. Het bezit één van de weinige nog in Utrecht resterende pothuizen. De schoorsteen op het pothuis is bij de restauratie in ’75 op grond van bouwsporen gereconstrueerd. Er behoren grote kelders bij het pand, waarvan er een zich tot ver onder de Lange Smeestraat uitstrekt.

 

Pothuizen

Utrecht telde in 1950 nog vier pothuizen. Hiervan zijn er in dat decennium nog twee gesloopt. Wat is een pothuis? Volgens Haslinghuis is het een “hokje, uitgebouwd voor de ingang van een kelder, waar kleine handwerkslieden hun bedrijf uitoefenden.” Van Campen stelt dat pothuizen vernoemt zijn naar de potten en pannen bij de ingang van de kelder. Een vaste grote heeft zo’n kleine uitbouw bij een kelderingang niet. De Vrieze noemt nog schoenlappers, kruiers, porders en mangelhuizen als gebruikers van de pothuizen.

 

Een van de eerste bronnen over dit pand gaat over een koop. Gillis van Hattum draagt in november 1636 het huis “De Rooster”over aan Jan van Wijckersloot, dat het naastliggende buurpand genaamd “De Drie Ringen” (thans Oudegracht 281) al in zijn bezit heeft.

 

In de verkoopakte van dat jaar wordt het huis zo omschreven: “huysinge, brouwerije ende melterije met den eest ende allen sijnen toebehooren met alle ’t geene daerinne aert ende nagelvast is, mitsgaders de kelder, kluijs, bodem ende boort staende ende gelegen binnen Utrecht aen de westzijde van de Oudgraft op den hoeck van den westsmeesteech.”

 

In dit pand zo staat er dus, is een brouwerij geweest. Dat deze al in gebruik was weten we ook: in 1623 weigert de eigenaar van huis De Rooster, Claes Pauwelsz Verriet, tien gulden aan het brouwersgilde te betalen

 

Waarschijnlijk verhoogde deze familie Van Wijckersloot de gebouwen met een verdieping. En verder: een stuk van de kelder van het pand loopt onder de Lange Smeestraat door.

 

Klik hier voor meer informatie.